De Leegtekamer

een kortverhaal


Ik drink mijn koffie altijd met een scheutje melk. Vorig jaar was dat scheutje nog latte-level. Dit jaar is het gekrompen naar cappuccino-niveau. Ik hoop volgend jaar op ristretto te eindigen zodat ik mijn koffie-verslaving eindelijk waardig kan laten sterven. Deze keer zoek ik de stilte in een koffiehuis dat midden in een bibliotheek staat. Twee vliegen in 1 klap, daar hou ik van. Efficiëntie. Short cuts misschien. De traagheid omzeilen door sterk time-management.


Ik bevind me temidden van duizenden boeken. In een gebouw dat geschiedenis meedraagt en stille rust uitademt. De boeken stellen me telkens gerust. Zij zijn mijn xanax in een wereld van teveel. Zij zijn die vrienden die je helpen om het leven te verstaan en het te leven. Geen betere plek dus om haar te interviewen. Zij die de boeken schreef die ik zelf had willen schrijven. Zij die 60 000 woorden in een bundel witte A4 pagina’s propt, schijnbaar zonder enige moeite. Omdat ze elke ochtend op exact hetzelfde uur achter haar bureau kruipt, ook al heeft ze niets te vertellen. Omdat ze uitvoerige gesprekken heeft met haar man, ook een schrijver, over de wereld en hoe haar verhalen daarin passen zonder ze te verspillen. Tegen hem kan ze zeggen dat ze al maanden piekert over dat ene woord tussen die andere 59 999 woorden, omdat ze denkt dat het grammaticaal niet past bij de rest. Een klein zwart schaap temidden van duizenden witte schapen. En hij begrijpt dat. En geeft haar een uitweg. Tot ze uiteindelijk beslist dat ze houdt van zwarte schapen. En dat imperfectie in novelles belangrijk is. Elke keer opnieuw. Al 19 boeken en tig aantal essays lang.

Stiekem hoop ik dat ze mij zodadelijk ook in vertrouwen neemt over haar taaltwijfels. Dat ze haar zwarte schapen aan mij laat zien zodat ik haar kan zeggen dat ik ze zo mooi vind. En dat gedacht, die stiekeme hoop, duwt plots een overspoelende vlaag van zenuwachtigheid door mijn keel. Ik besef dat ze hier binnen enkele minuten bij me zal zitten. Zij waar ik zo naar opkijk. Zij die alles is wat ik wil zijn. Zij zal samen met mij een koffie drinken en ik zal haar vragen stellen. Intelligente vragen uiteraard. Want enkel zo doe je eer aan intelligente antwoorden. Haar wijsheid verdient goede vragen. Ik heb immers maar een uur de tijd om het allemaal op te slorpen. Inclusief mijn cappuccino.


Ik beslis om nog snel mijn blaas te legen, want niets storender dan een blaas vol gierende cafeïne in een slappe bekkenbodem. Onderweg zie ik enkele vrouwen zitten aan een tafeltje gevuld met avocadotoast en uitbundige schoonheid. Ik herken hen van ‘social media’-land en ben bang dat ik op de achtergrond van hun instante perfectie ga opduiken en het kader misschien zal bederven. Ik beslis om een omweg te nemen van ‘the perfect square’ en loop langs de andere kant naar buiten. ‘Blijven ademen,’ zeg ik tegen mezelf, ‘je zit zodadelijk naast de grootste vrouw van de hele wereld. Laat je niet afleiden door perfectie.’.

Ik duw de laatste druppels eruit en blijf voor alle zekerheid nog even zitten. Mijn blaas controleren wordt met de jaren moeilijker. Voor een controlefreak als mij is dat geen evidentie. Ondertussen hoor ik gestommel naast mij en voel ik dat er al die tijd iemand in het toilet naast mij zat die erg haar best doet om haar aanwezigheid te verbergen. De ongemakkelijke stilte verraadt tranen. Ik hoor het aan de manier waarop ze ademt. Of eerder aan de manier waarop ze haar adem probeert te onderdrukken. Ik probeer zelf wat luider te ademen, in de hoop dat ze dat oppikt en het haar kalmeert. Net zoals dat soms het enige is wat mij helpt. Ik hoop vanuit de grond van mijn hart dat ze niet de indruk krijgt dat ik gekke dingen aan het doen ben daar aan de andere kant van haar muur. De muur tussen ons twee. Want mijn luide ademhaling brengt mensen met vreemde gedachten misschien op nog vreemdere gedachten. Plots gaat de deur naast me open en hoor ik haar naar buiten stappen. Ik trek snel mijn jeans omhoog en stap ook naar buiten. Ik wil haar -die ik niet ken- zien en sussen met mijn blik. En plots staat ze voor mij. Ze kijkt in de spiegel recht in mijn ogen en ik voel vlinders in mijn buik. Zij is het. Zij die 19 boeken schreef en tig essays. Zij die ik ken van haar verhalen. Van haar iconische foto’s met een glas gin in de ene hand, een sigaret in de andere en Malibu op de achtergrond. Een zwart/wit foto die ik afdrukte en inkaderde om vervolgens op te hangen in mijn keuken. Ze is hier, de wereldberoemde schrijfster, hier naast mij, met tranen in haar ogen die ze met een tissue probeert weg te vegen. ‘Het spijt me,’ fluistert ze, ‘vandaag is geen goede dag. Maar geef me heel even en ik ben weer helemaal ok.’ Ik antwoord: ‘Neem je tijd,’ en vraag me af waar dat ongelofelijke domme antwoord plots vandaag komt. Ik die áltijd weet wat zeggen. Ik die een ander zijn gedacht kan ruiken voordat ie het zelf nog maar denkt. Ze draait zich om en leunt tegen de wastafel waar ze zonet haar tissue in smeet. ‘Weet je. Mensen denken dat ik intelligent ben. Omdat ik goede boeken schrijf. Prijzen win. Erkenning krijg. Maar niets is minder waar. Ik ben niet slim. Ik ben een personage in mijn eigen leven. Ik ben niet wat de wereld denkt. Er zit niets in mij. Er zit enkel een leegte in mij die ik niet kan verklaren. Die waarschijnlijk vele oorzaken heeft waardoor ze telkens een beetje leger wordt. Ik kan het zelfs niet eens benoemen, ik weet alleen dat er op die plek niets is. En dat dat mij het gevoel geeft dat ik iets moet veranderen om het weer vol te maken. Maar op dagen zoals vandaag kom ik er dan weer achter dat niets of niemand dat kan vullen. En dat wat ik ook doe, het er altijd even leeg blijft. En stil. Het is een plek die zóveel leegte bevat. Leegte die gaten schraapt in de wanden van de kamer die ze bewoont. Gaten die de leegte nog dieper maken. Nog leger. Want zij is eindeloos. De leegte. Telkens als ik denk dat het niet leger kan, vindt ze gaten in de muur en vergroot ze haar plek. En dan probeer ik om die kamer aan te kleden, met schoonheid. Of soms met boeken. Met verhalen waar ik troost uithaal zodat de wanden van mijn leegtekamer bedekt blijven en ze er geen gaten meer in kan maken. De leegte bedoel ik.’


Ik ben muisstil. Kan amper nog ademen. Ik wil dit moment voor altijd. Ik voel haar pijn maar kan niet meer bewegen. Kan niet meer praten. Kan amper nog met mijn ogen knipperen. En dan voel ik een traan.

‘Maar weet je,’ gaat ze rustig verder, ‘misschien is die leegte datgene wat ik eigenlijk écht wil zijn en niet kan zijn om tal van redenen.’. Ze ademt diep in en zucht heel zacht en traag terwijl ze de mouwen van haar beige cashmere trui oprolt. De traan op mijn wang merkt ze gelukkig niet op en ze verdwijnt achter me naar buiten. Ik kijk naar mezelf in de spiegel en probeer de realiteit van wat er zonet gebeurde te beseffen. Zij die ik zo hard bewonder en die probeerde om haar adem en haar tranen in bedwang te houden, diezelfde zij smeet zonet een tsunami van de allermooiste en meest kwetsbare woorden over mij heen. Woorden die haar nog beroemder zouden maken dan ze al is, gewoon omdat ze zó schoon zijn. Te schoon voor dit leven.


Ik weet dat ik zo dadelijk terug naar mijn tafeltje moet en ze me daar misschien opwacht. Waar ze zal zien dat ik degene ben die haar gaat interviewen. Ook ik veeg de traan weg uit mijn oog, rol mijn mouwen op en verdwijn langs de deur. Ik passeer de perfecte avocado-toast-tafel en zie haar staan in een groepje van 3 mensen die haar omringen en rondom zich zoeken. Ze zoeken mij. Ik stap naar hen en stel me voor. Ze duikt op achter de grote man die ongetwijfeld haar uitgever is en glimlacht. Ze glimlacht opgelucht naar mij. Want ze weet dat ik degene ben die haar vragen zal stellen. Ik die zonet een erg intiem moment met haar deelde tussen blaas en bekkenbodem. Ik die heel even getuige mocht zijn van haar kwetsbaarheid. Haar levenstwijfel. Haar onzekerheid. En haar tranen. Ik toon haar mijn tafel en vraag wat ze wilt drinken. Ze antwoordt dat ze dit jaar van cappuccino’s houdt en zich afvraagt wat het volgend jaar zal zijn. Ik bestel een koffie en schuif mijn notitieboekje en gouden pen aan de kant. Ze kijkt onverstoord in mijn ogen en knikt. Ze is er klaar voor. Ik neem een slok van van mijn koude koffie, zet mijn tas terug naast het koekje dat ik onberoerd liet en zeg haar: ‘Er zit ongetwijfeld in élk mens een trachten om iets anders te zijn dan wat je bent.’ Ik pauzeer even om te ademen en na te denken. Drie seconden stilte die me de moed geven om verder te gaan en alles rondom ons te vergeten. En ik vraag haar: ‘Wat zou u doen en zijn in dit leven als u onbeschaamd uzelf kon zijn?’.



Heidi Petré






61 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven